Follow by Email

dinsdag 26 november 2019

Warm gesprek



Of ik nog ruimte heb voor een extra verhaal voor Van Harte Eijsden-Margraten, vraagt uitgever Marco de Bie. De deadline is al heel snel. Ik blader door mijn agenda en krijg het een beetje benauwd. “Eigenlijk niet”, zeg ik aarzelend. Fout antwoord. Met die eigenlijk geef ik hem de ruimte om door te praten. Het gaat om een interview met Frederique Kallen. Uit Noorbeek.

Ergens in de verte rinkelt een belletje bij die naam, maar de alarmbellen van mijn volle agenda tetteren daar heel hard overheen. Wanneer moet ik dat gaan doen? Zonder te wachten op mijn definitieve ‘ja’ zegt Marco dat hij de contactgegevens zo snel mogelijk doorstuurt.

Een beetje overrompeld kijk ik naar mijn telefoon. Waarom vind ik ‘nee’ toch zo’n moeilijk woord? Nu kan ik niet meer terug. En dat interview moet ook nog via Skype, want die Frederique woont helemaal in Peru. Wat een gedoe. Ik haat Skype.  

“We kunnen vanavond afspreken in Maastricht”, appt Frederique tot mijn verbazing als ik een afspraak met haar probeer te maken. “Ik ben toevallig in Nederland.” Wat een meevaller.

Tussen de bedrijven door googel ik even Frederiques naam. Ah, dáár ken ik haar van: haar stichting Mama Alice was een paar jaar geleden het goede doel van de kerstactie van Provincie Limburg. Destijds heb ik er een artikeltje over geschreven. Mooi initiatief. Ik begin toch wel zin te krijgen in dat gesprek.

Ik klik nog wat verder en lees dat ze begin deze maand een grote internationale prijs heeft gewonnen. Speciaal voor goede doelen die een grote impact hebben op het leven van kinderen. In Amerika wordt die prijs gezien als een soort ‘Nobelprijs’, lees ik. Van 100.000 dollar! Uitgereikt in New York. Zo, hé…

In een filmpje vertelt ze dat het gelukt is om de vicieuze cirkel in de levens van talloze Peruaanse kinderen te doorbreken. Dat het donker uit hun hart verdwenen is en ze zijn opgegroeid tot stralende mensen die nu met warmte voor hun eigen kinderen kunnen gaan zorgen.

En díe vrouw mag ik interviewen? Wow! En daar zag ik tot een uurtje geleden eigenlijk nog tegenop? Wat een zeikerd kan ik toch zijn. Soms.

‘s Avonds ontmoet ik Frederique in d’n Ingel op het Vrijthof. Ik ben meteen van haar onder de indruk. Maar vooral van het verhaal dat ze vertelt.

Over haar jeugd op de boerderij in Hoogcruts; over de wens die ze als kind al had om ooit een weeshuis te openen; over haar moeder Alice die vijftien jaar geleden overleed aan ALS; over de warmte van haar moeder die ze zo graag wilde doorgeven aan kinderen die nooit warmte hadden gekend; en over de vele duizenden kansarme kinderen in Peru die ze een beter leven kon geven.

Wat heb ik toch een heerlijk vak. Dat ik dit soort inspirerende mensen mag ontmoeten. Dat ik met ze mag praten over hun dromen en idealen. En over de strijd die ze elke dag opnieuw moeten leveren om die te verwezenlijken. Ik krijg het er warm van.

En ach, dat dat verhaal morgen al klaar moet zijn, daar zit ik opeens niet meer zo mee. Dít zijn de verhalen die mijn werk zo bijzonder maken. Dus Marco; bel gerust als je weer zo’n verhaal voor me hebt. Dan zoek ik een gaatje. 

Suzanne

zondag 17 november 2019

Libelle




“Ik weet niet of je het leuk vindt om te horen”, schrijft iemand als reactie op mijn eerste blog, “maar je tekst doet me denken aan een column in de Libelle.” Ik moet lachen. Dit heb ik vaker gehoord. Intussen zie ik het als een compliment. Maar dat was de eerste keer dat ik het hoorde wel anders!

Ik zal een jaar of 24 geweest zijn. Net gestart als freelance tekstschrijver. Nog nat achter mijn oren, maar toch al super-ambitieus. Ik kon de hele wereld aan! Dacht ik.

Dus toen chemiereus DSM vroeg of ik hun jaarverslag wilde schrijven, zei ik meteen ja. Zonder nadenken. Dat ik gigantisch op mijn bek kon gaan met zo’n prestigieuze klus, realiseerde ik me niet. Jeugdige overmoed, denk ik.

Ik kreeg een rondleiding langs hun fabrieken, werd bijgepraat over allerlei innovatieve chemische processen en interviewde een rijtje hotemetoten over onderwerpen waar ik totaal geen kaas van had gegeten. Daarna ging ik vol goede moed zitten tikken.

Een paar weken later zat ik tegenover een grijze PR-meneer in een statig kantoor. “Tja”, zei die, terwijl hij met een moeilijk gezicht naar een stapeltje a4-tjes vol rode strepen keek. Na een ongemakkelijke stilte zuchtte hij met een glimlach: “Het is eigenlijk helemaal niet slecht. We hadden alleen gehoopt op een iets andere stijl. Meer Elsevier-achtig. Dit kan zo in de Libelle!”

Ik kreeg het warm en koud tegelijk. Voelde m’n hoofd steeds roder worden. Hij zag mijn paniek en probeerde de pijn wat te verzachten door er met een knipoog aan toe te voegen: “Eén voordeel: mijn vrouw snapt nu eindelijk ook wat wij hier doen!”

Uiteindelijk is het goed gekomen met dat jaarverslag. Maar ik had m’n les geleerd: ik moest op zoek naar opdrachten die meer bij mijn stijl passen.

Het universum brengt sindsdien vooral opdrachtgevers op mijn pad die behoefte hebben aan heldere teksten die iedereen begrijpt. Nee, niet over recepten en breipatronen. De onderwerpen zijn vaak behoorlijk complex. Reorganisaties, visies, nieuw beleid. Maar juist dan is het de kunst om de boodschap helder te verwoorden. Zo concreet mogelijk. En vooral niet te zwaar, te hoogdravend of te formeel. Dat past niet bij mij.

Dus dankjewel, PR-meneer van DSM. Die Libelle-opmerking kwam destijds keihard aan, maar duwde mijn carrière precies in de juiste richting.

En dankjewel, lezeres van mijn eerste blog. Je hebt me totaal niet beledigd. Wie weet, eindig ik nog wel een keer in de Libelle, naast Sylvia Witteman of zo. 
Zou ik een hele eer vinden!

Suzanne

woensdag 6 november 2019

Rapport

De afgelopen week is mijn blad beoordeeld. Nou ja: mijn is een groot woord, want we maken het blad natuurlijk met een heel redactieteam, maar het voelt wel een beetje als mijn kindje, na al die jaren.

Sinds 2008 mag ik mezelf de eindredacteur noemen van het interne maandblad van Provincie Limburg. Een klus die ik heel graag doe. En hopelijk ook nog heel lang mag blíjven doen.

Maar daar zit de crux. Want de Provincie heeft sinds kort een sociaal intranet waar iedereen z’n eigen stukjes op kan publiceren. En nu rijst dus de vraag of dat personeelsblad nog wel nodig is. Of het nog past in een moderne, interne communicatiemix.

Ik denk van wel. Ik denk dat een blad vol persoonlijke verhalen zorgt voor verbinding. En verbondenheid is een groot goed in een organisatie waarin lang niet iedereen elkaar kent.

Intranet is leuk voor het korte nieuws, maar ik denk dat onze persoonlijke achtergrondverhalen niet goed tot hun recht komen op een scherm. Die moet je gewoon lekker thuis lezen in een papieren blad. Op de bank. Of op de wc. Maar ja, dat is mijn mening. En die telt nu even niet.

Een mening die gelukkig wel telt, is die van de lezer. En die mening is deze week dus gepeild. Met rapportcijfers en al. Dat vind ik best een dingetje. Ik lig er nog nét niet wakker van, maar het is wel het eerste waar ik aan denk als ik op woensdag 30 oktober opsta.

Om half tien gaat de uitnodigingsmail de deur uit. Naar ruim 900 medewerkers. We hopen op zo’n 250 ingevulde formulieren. Dat klinkt ontzettend veel. Hebben mensen hier wel tijd voor? Ik heb er een hard hoofd in.

Tot mijn verbazing komt om vijf over half tien het eerste formulier al binnen. En nog één. En nog één. De eerste tien open ik nieuwsgierig. Ik zie cijfers en antwoorden waar ik blij van word. Heel blij. Komt het dan toch nog goed? Maar dan open ik een formulier met alleen maar nullen! Ik sluit snel m’n mailbox...

Tijdens de lunch kijk ik even op mijn telefoon en schrik van het getal onderin
m’n beeldscherm. 125 mails? Hoe kan dat? In een paar uur tijd hebben ontzettend veel lezers het onderzoek ingevuld. Dat had ik niet verwacht. In de uren die volgen, tikken we de 150, de 200 én de 250 aan. Op dag één hebben we ons doel al bereikt!

De teller stopt een week later op bijna 450. Op het rapport staat een mooie 7,7. Uit de antwoorden blijkt dat meer dan 80% van de lezers het blad waardeert en zou missen als het verdween.

Nou; ik ook… Ik zou het blad ontzettend missen! Hopelijk is dit signaal sterk genoeg om het blad een mooie plek te geven in de nieuwe communicatiemix.

En zo niet: zoekt er toevallig nog iemand een eindredacteur? Die een blad kan maken dat gemist wordt als het er niet meer is? Ik ken nog een goeie!